Het is al een paar weken herfst; een jaargetijde waarin de natuur tot rust komt na een uitbundige bloeiperiode. We vieren deze week de dankdag voor gewas en arbeid. Alles wat we hebben, alles waarvan we genieten, ja de hele grond van ons bestaan danken we aan God, die op zijn tijd de vruchten doet groeien. Zoals beloofd na de
zondvloed: “Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht – nooit komt daar een einde aan”. De herfst bepaalt ons ook bij de tijdelijkheid van ons bestaan, dat kan je misschien somber maken, maar dan mag je ook ontdekken dat er een vastigheid blijft: Het woord van onze God houdt eeuwig stand. Of zoals Hebreeën 13:8 zegt: Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid. Tegelijk kunnen we sterk verlangen naar de dag, waarop Christus zal terugkomen om alles wat scheef is recht te zetten, alles wat kapot gemaakt is, te herstellen, alles en iedereen die uit is op vernietiging
de macht te ontnemen en recht en gerechtigheid te herstellen.
Maranatha, dat kan een gebed zijn: “Kom Heer Jezus”, en het kan ook een belijdenis zijn “Onze Heer zal komen”.
Jakobus legt een mooi verband tussen de herfst (de oogsttijd) en het verlangen naar de wederkomst: “Heb geduld broeders en zusters, tot de Heer komt. Denk eens aan de boer, die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land, tot de regens van najaar en voorjaar zijn gevallen. Wees net zo geduldig en houd moed, want de Heer zal
spoedig komen.”
Wij denken bij het woord spoedig aan een korte periode van enkele weken of maanden, wellicht een paar jaar, maar Gods tijden zijn geen mensentijden. God heeft overzicht over verleden, heden en toekomst, meer dan wij ons ook maar kunnen indenken. God is niet gebonden aan tijd, niet aan uren, niet aan seizoenen, niet aan jaren, zelfs niet
aan eeuwen. Het woord eeuwigheid is een begrip dat wij als mensjes niet kunnen bevatten, het overstijgt al onze berekeningen, maar daar is God wel in te vinden, heel menselijk probeert Petrus dat uit te leggen: Voor Hem is één dag hetzelfde als duizend jaar en duizend jaar hetzelfde als één dag.
Als afsluiter een oproep om op een goede manier te tijd te vullen tussen nu en de jongste dag: “Laten we daarom het goede doen, zonder op te geven, want als we niet verzwakken zullen we oogsten wanneer de tijd daarvoor gekomen is. Laten we dus in de tijd die ons rest, voor iedereen het goede doen, vooral voor onze geloofsgenoten.” (Galaten 6:9-10)
Koos Lange