“Want al valt de rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op.” Spreuken 24: 16a
Het grootste deel van ons leven bestaat uit zaken die bekend zijn. Die vertrouwd zijn. Die veilig voelen. Het huis waarin je woont. Je omgang met je familie, je vrienden, je collega’s, je buren. De taal die je spreekt.
Meestal is je bestaan zo helder als het licht van een argeloze lentezon op een middag in mei. Maar soms. Soms sta je voor een afgrond. Alles lijkt zwart. Er is alleen een onpeilbare diepte. Is het angst, onwetendheid?
De radeloosheid overvalt je. Wie kan je helpen? Is dit het einde van de wereld? Wat is er allemaal nog vertrouwd, zeker? Waar is de veiligheid gebleven?
Er zit niks anders op. Je neemt afstand, Weg van de kloof, weg van de duisternis, de kilte, de treurnis.
Je slaapt, je bidt, je eet, je vraagt advies, je zwijgt, je lacht, je huilt. En na een zekere tijd. Je keert weer terug. Wat je hebt meegenomen. Een tikkeltje inzicht, wat vertrouwen, een snufje doorzettingsvermogen, ietsjes moed. Beetje bij beetje realiseer je je. Hiermee valt een brug te bouwen.
Een brug van niks. Dat is waar. Hij is wankel, onvast, broos. En het ding waggelt bij ieder briesje. Maar op een dag sta je aan de overkant. En je kijkt nogmaals naar de kloof. Is het een kloof? Of blijkt het vooral jouw angst, onwetendheid, paniek te zijn geweest?
Jan Spoelstra