“Wie verstandig is, ziet het gevaar en hoedt zich ervoor, wie onverstandig is, gaat eraan voorbij en wordt gestraft.”
Spreuken 27:12
Het mag duidelijk zijn. Het gevaar komt van buiten. Van anderen. Van vreemden, van nieuwelingen.
Het gevaar is waar de duivel in huist. Waar de demonen, de boze geesten, de monsters, de kwelgeesten in schuilen.
Het gevaar herken je onmiddellijk. Het is waar je ouders, je opvoeders, je leraren, je leiders je voor waarschuwen.
Daarom is het zo goed naar ze te luisteren. Zij wijzen je de weg. Zij vertellen je waar wel of niet heen te gaan.
Zij weten wat goed voor je is. Wat zuiver is, puur, echt.
Een gelukkig leven is dus een stil, gehoorzaam leven.
Een leven dat je behoedt voor de afgronden, de moerassen, de wilde dieren, de enge ziektes, de boze mensen.
Een bestaan dat je erop attendeert wat veilig is, vertrouwd, bekend, zeker, traditioneel, gebruikelijk, gewoon.
Wie zo leeft. Zo weloverwogen, zo bedachtzaam, zo devoot. Wat kan hem of haar nog gebeuren?
Het echte gevaar ben je natuurlijk zelf. Je onkunde, je onbegrip, je onvermogen. Om jezelf te leren kennen.