Van alle momenten en gebeurtenissen rond Jezus’ lijden en sterven is dit voor mij wel het grootste bewijs van Jezus’ liefde voor de mensen. Hij bidt voor de weggelopen discipelen, voor de haatdragende priesters en hogepriester, voor de vijandige volksgenoten, voor de hardvochtige Romeinen, voor mij, voor jou.
Na alles wat ze Hem, vanaf zijn gevangenneming, lichamelijk hebben aangedaan, hoor je geen verwijt, geen verwensing, maar “vergeef het hun”.
Toen Jezus in de laatste uren voor zijn gevangenneming met zijn discipelen samen was, heeft Hij met hen zijn laatste Paasmaaltijd genuttigd en het avondmaal ingesteld. Dan doet Hij in Lucas 22:28-30 grote beloften aan hen: “Jullie zijn in al mijn beproevingen steeds bij Mij gebleven. Ik bestem jullie voor het koningschap zoals mijn Vader Mij voor het koningschap bestemd heeft: jullie zullen in mijn koninkrijk eten en drinken aan mijn tafel, en zetelen op een troon om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël.”
Dat zal niet direct gebeuren, er wacht nog een hele strijd, ook voor Petrus. Hij wordt rechtstreeks en apart aangesproken in de volgende verzen (31-32): “Simon, Simon, weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. Maar Ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken.” We herkennen Petrus als hij dan reageert: “Heer, ik ben zelfs bereid om met U de gevangenis in te gaan en te sterven.”
O ja? Voordat de haan kraait…..
Als we dan door scrollen naar dat moment in de tuin van de hogepriester, horen we Petrus tot drie keer toe ontkennen dat hij bij Jezus hoort, ja dat hij Hem zelfs niet kent. En terwijl Petrus zegt “ik ken Hem niet”, bidt Jezus “Maar Vader, Ik ken hem wel.” Zijn beste vriend, Petrus, laat Hem op dat beslissende moment in de steek. Maar de reactie van Jezus is geen verwijt, maar een gebed om zijn redding. Zijn zelfvertrouwen moest plaatsmaken voor godsvertrouwen, voor echt geloof. Geloof wat de zekerheid is van de dingen die men niet ziet, maar waar Petrus later een bevlogen apostel van geworden is. Hij rent naar het graf waarvan de vrouwen hadden gezegd dat het leeg was en vanaf de pinksterdag zien we hem de leiding nemen en de toegestroomde nieuwsgierigen uitleg geven over wat er zojuist gebeurd was, de tongen van vuur, de wind en het spreken in vreemde talen. En als de mensen vragen “Wat moeten we doen?” is dit zijn antwoord: “Kom tot inkeer en laat u allen dopen in de naam van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.” (Hand. 2:38)
Zo zien we dat Jezus’ gebed om het behoud van Petrus’ geloof schitterend verhoord is. Voor jou, voor mij, heeft Jezus ook gebeden en dat niet alleen, Hij heeft mijn en jouw zondeschuld volkomen weggenomen, afbetaald, vernietigd.
Dat is het resultaat van zijn lijden en sterven en opstanding. Prachtig, maar eerst: laten we diep meeleven wat Hij als Zoon van God heeft moeten (ver)dragen. Juist in deze lijdenstijd mag het besef dat Hij dat deed voor jou en mij ons pijn doen, niet uitzichtloos, maar wel wezenlijk. Door onze schuld moest het “Goede Vrijdag” worden, door zijn liefde en kracht werd en wordt het Pasen. En uiteindelijk mogen we met Petrus en de andere apostelen genieten in het koninkrijk van de Vader en eten en drinken aan zijn tafel. Halleluja, lof zij het Lam, dat onze zonden op Zich nam.
Ik wens ons een mooi, diep, betekenisvol vervolg van de 40-dagentijd toe en een vrolijk Pasen.