Vanaf Goede Vrijdag was Jezus weg. Zo beleven de discipelen en de vrouwen het. Donderdag nog met Hem het Pesachmaal gevierd en nu? Wat een leegte, verwarring, desillusie. Grote verwachtingen, allemaal de bodem ingeslagen. Je zou een grote protestactie verwachten, een manifestatie tegen zoveel onrecht, maar we lezen dat zij de deur gesloten hadden uit angst voor de joden. Dan komt daar die verwarrende tijding dat het graf leeg is. Wat? Is zelfs zijn lichaam weg?
Wat zouden ze gedacht hebben van de boodschap die via de vrouwen werd doorgegeven dat Hij hen zou ontmoeten in Galilea? Als je de weergave van Johannes volgt in hoofdstuk 20 en 21, dan lees je dat Hij hun afgesloten ruimte binnen komt, tot twee keer toe, ze hebben Hem gezien en gesproken, samen een hapje gegeten, maar toch lijkt het of het maar niet tot hen door wil dringen, want in het volgende hoofdstuk gaan ze maar weer “gewoon” vissen. Hij is toch weg, dus laten we de draad van drie jaar geleden maar weer oppakken. Voor hen was de opstanding nog geen werkelijkheid, lijkt het.
Hij was weg immers? Hoe kan Hij dan gebleven zijn?
Wij leven bijna 2000 jaar later en er zijn dikke pillen geschreven over de werkelijkheid en de betekenis van Jezus’ opstanding, van zijn overwinning op de dood. Ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat die discipelen zo ongelovig reageerden op de boodschap van de vrouwen en de verschijning van Jezus zelf. Maar als ik er goed over nadenk: Een dode die samen met jou iets eet, die je aan kunt raken, die met je praat? Ongelofelijk toch? Niet zoals die levende doden in films en verhalen, maar werkelijk, fysiek. Voor de discipelen een eerste confrontatie met dat ongelofelijke heilsfeit, voor ons een overbekend (?) evangelie: Hij leeft!
Wij hebben vandaag o.a. de Heidelbergse Catechismus waar over de opstanding van Christus wordt gezegd:
a. Door Zijn opstanding heeft Hij de dood overwonnen om ons te laten delen in de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood voor ons verdiend heeft.
b. Door Zijn opstandingskracht worden ook wij opgewekt om een nieuw leven te leiden. (nu al, vandaag!)
c. Door de opstanding van Christus weten we zeker dat ook wij eens zullen opstaan in heerlijkheid.
Rijke woorden, volle begrippen, onbegrijpelijke toekomstbeelden, maar heel echt, heel waar.
Zo leven we toe naar Hemelvaart en Pinksteren. Dan gaat Hij (weer) weg om te blijven, zoals Hij beloofd heeft. Weg, maar toch gebleven. Het wordt mooi verwoord in het lied van Sela “die allermooiste dag”.
Die allermooiste dag
Toen U weer terugging naar de Vader,
was het geen afscheid voor altijd.
U bent een plaats voor ons gaan maken,
zodat we bij U kunnen zijn.
U liet ons niet als wezen achter.
Wij zijn niet moederziel alleen.
Uw Geest brengt hoop in onze harten.
Zo gaat U altijd met ons mee.
U heeft ons verteld:
wees niet ongerust;
verlies de moed niet,
want Ik kom bij jullie terug.
Er komt een dag dat U weer bij ons bent;
dat hebt U beloofd en U doet wat U zegt.
En samen zien wij uit naar dat moment;
naar die allermooiste dag, die allermooiste dag;
die allermooiste dag, als U weer bij ons bent.
Ook als er tijden zijn vol tranen,
terwijl de wereld vrolijk is,
zullen wij zingen in de dalen,
ondanks zorgen en gemis.
Want ons verdriet zal vreugde worden.
Wat U belooft wordt werkelijkheid;
als U weer terugkomt op de wolken
en wij samen zullen zijn.
Hij leeft en is bij jou!